De boekendokter diagnosticeert en schrijft voor…

De boekendokter diagnosticeert en schrijft voor…

In de boekenkast van mijn ouders stond de medische encyclopedie, een in bruin kunstleer gebonden turf met ‘levensechte afbeeldingen in kleur’. Het boek ontsloot de geheime, licht angstaanjagende, maar fascinerende wereld van ‘het menselijk lichaam’, – die woorden alleen al… Ik haalde het boek af en toe voorzichtig tevoorschijn, legde het op de eettafel en opende het precies daar, waar de tekstpagina’s overgingen in bladzijden van helder doorschijnend folie, bedrukt met weergaloze kleurenillustraties. De eerste afbeelding toonde de blanke gezichten van een man en een vrouw. Als je de pagina omsloeg zag je wat zich achter die romige koppies afspeelde: een slagveld van rauw vlees, bloedvaten, natte oogballen en grijnzende en onafzienbare rijen tanden en kiezen. Al bladerend pelde je het lichaam af, en steeds ging het een stukje lager, tot aan de voeten aan toe. Zover kwam ik zelden, want meestal bleef ik hangen in de schaamstreek waar ik kennismaakte met het vrouwelijk geslachtsdeel en mijn taalschat dankzij de bijschriften kon verrijken met woorden als vagina en vulva. Dat er veel meer woorden voor dit lichaamsdeel (te verzinnen) zijn, was me wel bekend voor ik de biografie van de schrijver A. Moonen (spreek uit: A Punt Moonen) las, maar diens lust tot (her)benoemen en omschrijven van de vagina kent zijn gelijke niet: buikgeulspleetsel, buikkuil, buikwaaier, damesinterieur, lieskloof, liesopening, pubbelubbis, rauwheid (‘haar spray vragende rauwheid’), schaamgeul, schaammodel, schaammond, schaamschap, schaamslop, schaamuitrusting, schaamvaalt, slijmgeul, spaargleuf, stankcentrum, zweetprivaat, zwelgput. Het is een greep uit de creatieve woordenschat van iemand met een hekel aan vrouwen, zo lijkt het. A. Moonen schreef twaalf boeken over de worsteling van de psychotische kamerbewoner met het leven in de grote stad, over eenzaamheid, over geluidsneuroses en geurtjesvrees en over het dwangmatig najagen van lichamelijk contact, met kinderen en mannen en, vooruit, ook met vrouwen.

Biograaf Wim Sanders was eind vorige eeuw als literair criticus bij Het Parool gecharmeerd van A. Moonens vormelijke, laconieke stijl en zijn humor (‘Waar staat de ‘A’ voor, mijnheer Moonen? ‘Voor de punt, beste man.’) die schril afstak bij de vaak onsmakelijke en deerniswekkende inhoud van zijn verhalen. Nu, tien jaar na Moonens dood publiceert Sanders een ­biografische verkenning over deze vergeten schrijver: Bel ik u wakker, beste man? Het monisch-manische schrijversbestaan van A. Moonen. Sanders herlas Moonens werk en de (vaak felle) reacties erop, verdiepte zich in Moonens correspondentie en zijn optredens voor radio en tv en sprak met vele betrokken uit de literaire wereld. Sanders schetst een bizar en dwars leven in vijftig hoofdstukken, elk voorafgegaan door een treffende Moonenquote. Zo begint het hoofdstuk ‘Moonen en de vrouwen’ met ‘ik ben geen echte vrouwenhater. Zo kom ik wel over in mijn boeken soms, maar dan heb ik het natuurlijk net met de verkeerde wijven aan de stok. Ik ben eigenlijk een misantroop.’ En dit citaat staat boven het hoofdstuk ‘De Dood en Moonen’: ‘De dood is de mooiste vakantie en boven elk weerbeeld verheven, nog gratis ook.’

Sanders’ compacte en soepel lezende biografie maakt nieuwsgierig naar Moonens werk dat voor een habbekrats via Boekwinkeltjes.nl verkrijgbaar is. Ik bestelde een paar titels en zie na lezing ervan enige aanleiding deze in uw belangstelling aan te bevelen, maar mondjesmaat, niet te veel achter elkaar. En ook niet in de eerste plaats om ze – zichtbaar voor uw huisgenoten – tussen Mak en Mulisch in de boekenkast te zetten.Maar ze verdienen wel een plaats in uw medische bibliotheek als gidsen voor een gemankeerd leven, dagboeken van een patiënt, of ontboezemingen van een viezerik.

Ondanks zijn opmerkelijke naam, met de hardop uitgesproken punt, is Moonen tien jaar na zijn dood totaal vergeten, een lot dat veel schrijvers beschoren is. Heere Heeresma, ook alweer ruim vijf jaar hemelbewoner, heeft eveneens een naam om te onthouden. Maar, anders dan bij Moonen, roept zijn werk nog wel herinneringen op. Titels als Geef die mok eens door, Jet, Een dagje naar het strand, Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming, staan ons levendig voor de geest, ongetwijfeld ook omdat ze verfilmd werden. Het zijn verhalen waarin de enkeling zich steevast te weer heeft te stellen tegen een alles regulerende en bedreigende maatschappij. Heeresma presenteerde in zijn werk een sombere wereldvisie en een ‘systeem’ dat ons uiteindelijk in de tang zal nemen. ‘Onze samenleving is van een wanhopig soort smartelijkheid! Zoals men trouwens altegaar in mijn boeken kan lezen.’ De lichtverteerbare ingrediënten waarmee hij de lezer dat beeld voorzette, contrasteerden met dit donkere thema. Als oud-copywriter in de reclame, wist Heeresma als geen ander hoe hij een publiek moest bereiken en bespelen. Humor en ironie waren zijn wapens en ‘allemachtig’ wat kón die man vertellen. Zijn boeken vlogen de deur uit en beleefden herdruk op herdruk. Maar, net als zijn hoofdpersonen, moest Heeresma op veel fronten strijd leveren om als enkeling ‘te kunnen overleven’. Hij hield zich verre van de literaire wereld: ‘Na mijn weigering aan Van Dis van de VPRO en Lenferink van Veronica om in hun tv-programma te komen, wat zowel de diepste verbazing als de grootste woede heeft opgewekt, is mijn breuk dan eindelijk eindelijk definitief met de literaire moestuin. Goddank. Eindelijk gerechtigheid. Deze schrijver en zijn werk zijn een instituut in en op zichzelf geworden en alles draait als nooit tevoren.’ Ook informeerde hij regelmatig bij drukkers naar de exacte aantallen waarin zijn boeken gedrukt werden, omdat hij de informatie die zijn uitgevers hem daaromtrent verstrekten, wantrouwde. Contacten onderhield Heeresma vooral per brief. Hij correspondeerde met iedereen over alles. Sinds 1974 liet hij zijn correspondentie-adres (een postbusnummer in Amsterdam) in zijn boeken zetten, zodat hij ook met zijn lezers van gedachten kon wisselen. Van de duizenden brieven die in het Literatuurmuseum liggen opgeslagen is een aantrekkelijke verzameling gebundeld en uitgegeven. Ze kenmerken de auteur als een excentrieke, eigengereide en komische dwingeland: ‘[…] Meneer De Goede, u ziet dat ik mij er niet met een J. van Leyden vanaf heb gemaakt. Ik stelde in dit schrijven zaken waarmee ik nog nooit naar buiten ben getreden. Het is voor u informatie i.v.m. ons gesprek dat ik graag in zo komfortabel mogelijke omstandigheden wil voeren. Ik heb er overigens geen bezwaar tegen dat u daarbij op een ‘rechte’ stoel plaatsneemt. Zelf prefereer ik zachte kussens.’

Wim Sanders
Bel ik u wakker, beste man?
Het monisch-manische schrijversbestaan van A. Moonen
De Weideblik, Varik 2016

Heere Heeresma
Bleib gesund! Brieven
De Arbeiderspers, Amsterdam 2015

Tekst Huug Schipper