Kunst kijken

Kunst kijken

Het was een doordeweekse zomeravond in 1998 in Las Vegas. De brede hoofdstraat baadde in overdadig schitterlicht van casinopaleizen en neonreclames. Op elke hoek lokten muzikanten, goochelaars en acrobaten het voorbijslenterende publiek. Open convertibles gleden achter elkaar langs de trottoirs; loom cruisende ‘daklozen’ zoals bestuurders van cabriolets in die dagen soms gekscherend werden genoemd. Ik passeerde een billboard waarop in feestletters – de ‘i’s’ verbeeld door fier opgeheven penissen – viagrapillen werden aangeboden voor een grijpstuiver. Even verderop kon je voor vijf dollar onbeperkt spareribs kluiven. Elke attractie, aankondiging of aanbieding stond de vorige te overschreeuwen in letters waar Sinterklaas een kleur van zou krijgen. Daarom las ik met enig ongeloof de kloeke kapitalen waamee HET GROOTSTE AUTOMUSEUM TER WERELD zich voorstelde. Het bevond zich op de 18e verdieping van het hotel waarvan de met marmer en bladgoud aangeklede entree uitnodigend voor me lag. De toegang was gratis. In de lift omhoog had ik me afgevraagd op welke manier ik belazerd zou worden, maar bij het binnengaan van de enorme tentoonstellingsruimte verdween mijn reserve op slag. Zo ver het oog reikte, stonden glanzende bolides langs lange corridors onder kil tl-licht strak in het gelid. Modellen uit elk decennium van de twintigste eeuw; auto’s uit speelfilms en van staatshoofden – een gepantserde Mercedes van Hitler stond naast de direct herkenbare open zwarte Lincoln waarin Kennedy doodgeschoten was. Ik herinner me dat ik de bekleding van de achterbank daar toen grondig heb nagekeken op ‘forensisch materiaal’, maar zonder resultaat. Nu lees ik op internet: ‘De auto, door de secret service aangeduid als X-100, werd na de aanslag omgebouwd. Kennedy’s rit door Dallas was de laatste keer dat een president van de VS in een cabrio werd vervoerd. De auto staat vandaag de dag in het Henry Ford Museum (Dearborn, Michigan).’ In Dearborn dus, niet in Las Vegas. Er staat een foto bij waarop de auto inderdaad grondig is verbouwd. Wat meteen opvalt: er zit een dak op dat de beroemde achterbank goeddeels aan het oog onttrekt. Ook de zijspiegels zijn veranderd. Die Lincoln in Las Vegas was dus nep en ik twijfel met terugwerkende kracht aan de authenticiteit van de Mercedes van Hitler.

In Den Haag staat sinds 2010 het Louwman automuseum. Dit is niet het grootste ter wereld, maar bevat wel ’s werelds óudste privécollectie. Het is maar waar je je mee wilt onderscheiden. Dat de basis van de verzameling in 1934 is gelegd door de vorige generatie Louwman en dat de huidige generatie hem heeft uitgebouwd tot de uitgebreide collectie die thans wordt gepresenteerd, lijkt me vooral interessant voor de familie Louwman zelf. Met het fortuin dat Evert Louwman als auto-importeur vergaarde – in de Quote 500 uit 2013 staat hij op de 13e plaats met 820 miljoen euro – bouwde hij zijn eigen automuseum. Deze kathedraal van rode baksteen, ontworpen door de Amerikaanse architect Michael Graves, herbergt onze heilige koeien vanaf het eind van de negentiende eeuw tot heden. In 250 modellen ontrolt zich de autogeschiedenis langs brede gaanderijen. Dit is een must voor de liefhebber. Hier lopen vooral mannen, alleen of in kleine groepjes. Ze kijken met interesse en met het oog van connaisseurs: ‘Ah, een BMW 328, daar lag mijn vader elke zaterdag onder.’ Sommige mannen hebben vrouw en kinderen bij zich: geen gemakkelijke combinatie. Vader wil kijken, snuffelen, zwijmelen; moeder kijkt leeg in de verte, de kinderen rennen lawaaierig van de ene auto naar de volgende: ‘pappa, pappa, mag ik híerin!’

Ik ben geen liefhebber en ga op zoek naar auto’s met Een Verhaal, want die zijn er bij Louwman. De James Bondauto uit Goldfinger bijvoorbeeld. Ik ben wel benieuwd naar deze Aston Martin uit 1964, die onder andere is uitgerust met twee mitrailleurs achter de richtingaanwijzers, een draaibaar nummerbord, uitschuifbare messen in de wielnaaf en een schietstoel voor ongewenste passagiers. Helaas is deze auto uitgeleend aan een tentoonstelling elders in de wereld, maar verderop staat de auto van Sonny Corleone uit The Godfather te glanzen in het kunstlicht. In deze Lincoln (verhip, weer één) gaat Corleone een geweldadige dood tegemoet als hij bij een grensovergang onder vuur komt te liggen. De beelden van de slachtpartij staan op Youtube. Het slachtoffer kon tijdens het spervuur uit de auto kruipen om groots en meeslepend en goed zichtbaar voor de camera met kogels doorzeefd te worden en schokkend ter aarde te storten. De schoten kwamen van rechts en de rechterkant van de auto zit na afloop dan ook vol gaten. Precies die kant blijft bij Louwman voor het oog verborgen. De andere, oninteressante kant van de Lincoln staat onaangedaan te pronken voor het publiek. Als ik deze auto voor mijn museum had verworven, zou ik de kogelgaten hebben laten zien. En de kapotgeschoten voorruit. Nu moet men zijn verbeelding het werk laten doen. Dat is de moeite waard als je naar kunst kijkt, maar dit is geen kunst… dit is echt, of niet soms?

Elvis Presley bezat een gele DeTomaso Pantera waar hij zijn pistool op leeg schoot toen deze weigerde te starten. Geen ramp, want Elvis had veel auto’s, waaronder een Rolls-Royce Phantom V, een Mercedes 600, enkele BMW’s, een Messerschmitt en een Ferrari. En circa honderd Cadillacs, waarvan Louwman er één bezit, een rode Cadillac uit 1976 die Presley kort voor zijn dood (in 1977) moet hebben aangeschaft, een nogal lompe auto. Het bijschrift vermeldt de vele extra’s, zoals de dikke treeplanken aan de zijkant waarin een lichtorgel is gemonteerd dat gaat spelen als de portieren geopend worden. En de dashboardverlichting die reageert op het ritme van de muziek uit de radio. En wat dacht u van de speciaal voor Elvis aangebrachte bekleding van de stoelen, of de verlengde bumper met daarop een reservewielbehuizing die te klein is voor het reservewiel. Van dit alles is jammer genoeg niets te zien of te horen. Maar wie open staat voor de illusie kan bij Louwman dromen.

Ik rij intussen in mijn eigen heilige koe door het grootste moderne automuseum van Nederland – de A1 – met eigentijdse modellen in vol gebruik, richting Assen. Mijn queeste naar masculien kijkplezier voert me naar het Drents Museum waar Jans Muskee zijn tekeningen vol uitwaaierende mannelijke fantasieën tentoonstelt. ‘Het onvermogen van mensen om echt contact te leggen is een van de belangrijkste thema’s in het werk van Jans Muskee’, lees ik in de museumfolder. In gewone taal: Muskee tekent de belangstelling van schijnbaar schaamteloze types voor elkaars intieme lichaamsdelen. Hij doet dat heel precies en met grote aandacht voor de details. In een huiselijke omgeving, buiten op het woonerf of in het park, speelt zich op bijna terloopse wijze een nogal steriele seksuele handeling af. De één handelt – eerder verwonderd dan opgewonden –, de ander, in vergelijkbare gemoedstoestand, ondergaat. Als in een curieus medisch onderzoek? Nee, daarvoor is het contrast tussen de couleur locale en de aankleding met de handeling te groot. Een spreekkamer kom ik in de voorstellingen niet tegen. Is dit het werk van een ‘ge-aberreerd’ kunstenaar? Deze omschrijving is eigen aan de zuivere kunstenaar en dus een pleonasme. Zijn de voorstellingen pervers dan? Perversie wordt vaak gebruikt voor seksuele gedragingen die afwijken van het als normaal beschouwde patroon. De getekende handelingen lijken me niet pervers, maar hoe zit het met de tekeningen zelf? Nee, ook niet, ze zijn esthetisch en herkenbaar, maar niet honderd procent realistisch, ze zijn theatraal maar vooral museaal, van spontaniteit lijkt geen sprake. Ik kom hier niet helemaal uit. Bij het binnenlopen van de eerste ruimte met tekeningen werd ik verrast door het expliciete karakter, maar gaandeweg voelde ik dat mijn blik technischer werd – zo kijkt een dokter, besefte ik – om uiteindelijk bij de laatste tekeningen iets van verveling gewaar te worden. Ik ben benieuwd hoe het u vergaat.

Louwman Museum, Den Haag
Geopend dinsdag t/m zondag van 10.00 tot 17.00
(www.louwmanmuseum.nl)

Drents Museum, Assen
‘Jans Muskee. Absoluut misschien’ t/m 7 januari 2018
Geopend dinsdag t/m zondag van 11.00 tot 17.00
(www.drentsmuseum.nl)

Tekst Huug Schipper