De boekendokter

De boekendokter

boekendokter-okt16

Bowie dood, Cruijff dood, de gevreesde ziekte velde begin dit jaar twee rolmodellen, supersterren, wereldhelden, heilanden, zaligmakers, verlossers… Woorden schoten tekort om hun beider grootheid te bewieroken en lange rijen fans trokken verslagen langs de verschillende rouwregisters in binnen- en buitenland. Het breed gevoelde verdriet werd in de pers gretig uitgedragen en vele dagen achtereen opnieuw opgewarmd, net zolang tot die twee doden als het ware versmolten tot één reusachtige heilige geest. Een geest die hier en daar verwarring zaaide. Zo las ik ‘Johan, bedankt!’ in het condoleanceboek bij de David Bowietentoonstelling in het Groninger Museum. Wat een timing overigens, die tentoonstelling. Met moeite wist ik via internet een kaartje te verwerven voor een van de laatste zaterdagen. In een afgeladen museum moest ik wachten tot er genoeg koptelefoons door vertrekkende bezoekers waren ingeleverd om een nieuwe groep kijklustigen te kunnen voorzien. Daarna veel schuifelen in de massa en stilstaan tot er een plekje vrijkwam voor de vitrine met een flard handschrift, een foto of een hoesontwerp. In mijn oren zong de meester intussen onvermoeibaar zijn eeuwige ‘Space Oddity’ (‘Can you hear me Major Tom…’) en ik vermoedde in de benauwde museumzaal tussen al die koptelefoonhoofden plotseling de aanwezigheid van een hiernamaals vol sterren. In de wolken vloog Prince als Major Tom op een luchtgitaar. Beneden liepen David Bowie en Johan Cruijff – die elkaar bij leven van naam moeten hebben gekend – samen op langs luisterrijke lanen. Met Johan aan het woord, natuurlijk. Want meer nog dan met zijn voeten, sprak Cruijff met zijn mond. En als een echte verlosser orakelde hij tamelijk raadselachtig en met een onnavolgbare logica. ‘Ik maak eigenlijk nooit fouten, want ik heb enorme moeite me te vergissen,’ lees ik in het citatenboekje Je moet schieten, anders kun je niet scoren, dat Henk Davidse eind vorige eeuw samenstelde. Ik lees: ‘Ik ben misschien de hardste voetballer van Nederland geweest. Ik bedoel daarmee dat ik altijd veel pijn kon verdragen.’ En ‘Ik heb een verschrikkelijke hekel aan iemand die beweegt, maar niet weet waar naartoe’. Een geestig boekje is dit zeker, al leunt het iets te veel op de grammaticale onvolkomenheden van onze held, zoals: ‘De mensen wie negatief in het realistische adviseren was natuurlijk negatief’. Aan de andere kant, toen woordenboekuitgeverij Van Dale Cruijffs beroemdste uitspraak in correct Nederlands op een tegeltje liet drukken sloeg zij de plank falikant mis. Tot afschuw van de liefhebbers stond er ‘Elk nadeel heeft zijn voordeel’ in plaats van het enig juiste (want Cruijffiaanse) ‘Elk nadeel hep ze voordeel’. Het boekje van Davidse is alleen nog antiquarisch (maar volop!) te koop, ik vond tientallen exemplaren op Boekwinkeltjes.nl vanaf € 2,50. Een aardig – op tijd herdrukt – citatenboek ligt wel in grote stapels in de winkel: Johan Cruijff. Uitspraken, waarin het ‘typisch Cruijffiaans’ chronologisch is gerangschikt en dat zo een vrolijke biografie oplevert.

Ze deden er bij Cruijff thuis niets aan, maar, zegt hij: ‘ik zat wel op de school met de Bijbel. Op een gegeven moment vroeg ik: “Waarom zit ik in godsnaam op een school met de Bijbel, we komen nooit in de kerk!” Mijn vader zei: “Je moet gewoon alles weten en alles leren. Als jij later naar de kerk wilt, dan ga je naar de kerk. Wil je niet, dan ga je niet. Maar dan weet je in ieder geval overal van.”’ Later had zijn geloof vorm gekregen: ‘Ik geloof niet omdat ik dus niet gelovig ben, maar ik denk wel dat er iets anders is, maar daardoor geloof ik datgene wat ik dus denk dat er is.’

Bij Guus Kuijer thuis lag de bijbel wel op tafel, maar vanaf zijn tiende jaar drong het tot de kleine Guus door dat hij niet geloofde. Als hij ’s avonds in bed probeerde te bidden, had hij het gevoel dat hij zich aanstelde. Desondanks bleven de bijbelverhalen hem fascineren ‘niet om hun vrome inhoud, maar om hun verbazende vertelkracht’. Zelf ben ik niet kerkelijk opgevoed, maar op mijn (openbare) lagere school werd soms voorgelezen uit een kinderbijbel. Dat waren altijd spannende verhalen over koningen en slaven, over oorlog, verwoesting en uitputting en het offeren van jonge dieren. Soms veranderde een ongehoorzame vrouw in een zoutpilaar, soms moest een volk gestraft worden. Gods wegen waren duister en hardhandig. Nadat mijn opleiding op het gymnasium was mislukt (na doublures in de eerste en derde klas, werd mijn ouders aangeraden eens een ander schooltype met mij te proberen), kwam ik terecht op een christelijke havo waar je wekelijks een bijbeltekst ontving uit de mond van de leraar die je op maandag het eerste uur had. Wij hadden mijnheer Van der Steen, een aardige man die plichtmatig en kort voorlas om zo snel mogelijk met de les Frans te kunnen beginnen. Van zijn voorlezingen heb ik niets onthouden. Tegelijk met ons diploma kregen we een zakbijbeltje, gedrukt op 17 grams vloeipapier, slechts 15 mm dik, maar met 1300 pagina’s. Het ligt naast me en ik heb me vaak voorgenomen erin te gaan lezen. Maar steeds als ik het boekje opensloeg, stuitte ik op een compacte brij van te kleine letters die te dicht bovenop elkaar stonden. ‘Ik ben niet gelovig,’ dacht ik dan, ‘ik mis het doorzettingsvermogen, het “heilige moeten”.’
Sinds enkele jaren schrijft Guus Kuijer aan zijn ‘Bijbel voor ongelovigen’. Als hij uitlegt waarom hij dit doet, voel ik me aangesproken. Kuijer: ‘Soms lijken de verhalen zoals de bijbel die weergeeft te bondig om indringend te zijn, maar daar wisten mijn schoolmeesters en juffen wel raad mee. De meesten van hen toverden ons een woestijn voor ogen die zij en wij nooit in het echt hadden gezien, ze richtten waar nodig een bloedbad aan waar je rooie oortjes van kreeg en wisten onstuimig onze woede te wekken over slechte mensen die hun eigen broer als slaaf verkochten. Het werd me duidelijk dat deze verhalen bedoeld zijn om te vertellen viagra pour d.’ En: ‘Met De bijbel voor ongelovigen volg ik de traditie van de vertellende schoolmeester, met dit verschil dat hij waarschijnlijk gelovig was en ik niet.’ Kuijers bijbelteksten komen uit het Oude Testament. Er zijn tot nu toe vier delen in de reeks verschenen en het zijn stuk voor stuk juweeltjes van vertelkunst waarbij de (on)gelovige lezer en passant veel leert over de inhoud van de Moeder aller boeken. Kuijer laat in zijn verhalen ruimte voor ‘twijfel, tegenspraak, ongehoorzaamheid en zelfs ongeloof’ die volgens hem óók in de bijbel te vinden zijn. Hij pakt de ongelovige in met zijn diamanten pen en vergoeilijkt het onbegrijpelijke en onbestaanbare – dat wat alle verstand te boven gaat – omdat het de voorwaarde is voor een goed verhaal om de aandacht van het publiek met alle middelen vast te houden.

Ik hou niet op Kuijer te loven, omdat ik tijdens het lezen mijn bijbel met de paplepel krijg ingegoten en aldus inhaal wat ik mezelf altijd onthouden heb. Steekproefsgewijs leg ik de echte bijbel naast Kuijers verhalen en zie dat ze kloppen. Het grootste verschil zit in het vertelperspectief. Anders dan de almachtige verteller in de bijbel, laat Kuijer bijfiguren aan het woord om verslag te doen van de duizelingwekkende gebeurtenissen. Het zijn mensen van vlees en bloed, met hun onzekerheden, hun twijfels, hun stemmingen en eigen kijk op de zaak. Ze verbazen zich soms bijna net zo hartstochtelijk over wat ze vertellen als u en ik.

Je moet schieten, anders kun je niet scoren en andere ­citaten van Johan Cruijff Verzameld door Henk Davidse
Uitgeverij BZZTôH, Den Haag 1998

Johan Gruijff Typisch Cruijffiaans. Uitspraken Samengesteld door Sytze de Boer Cruyff Library, 2013

Guus Kuijer De Bijbel voor ongelovigen Athenaeum –Polak & Van Gennep, Amsterdam
• Het begin Genesis (2012)
• Deel 2 De uittocht en de intocht (2013)
• Deel 3 Saul, David, Samuël en Ruth (2014)
• Deel 4 Koning David en de splitsing van het rijk (2015)

Tekst Huug Schipper